Doe de TOS-test

Is er een vermoeden van een TOS dan is een gehoor-, logopedisch en ontwikkelingsonderzoek nodig. Een huisarts, jeugdarts, KNO- of kinderarts kan u hiervoor naar ons Audiologisch centrum verwijzen voor onderzoek.

Blijkt sprake te zijn van een ernstige achterstand op spraaktaalgebied dan kijken de medewerkers van onze locatie 't Kwetternest graag met u naar de mogelijkheden. Er mag geen duidelijke brede ontwikkelingsachterstand (verstandelijke beperking) of een reeds gediagnosticeerde ontwikkelingsstoornis zijn.

Taalontwikkeling

Wanneer mag u ervan uit gaan dat de taalontwikkeling van uw kind vanzelf op gang komt en wanneer zou er sprake kunnen zijn van een taalachterstand of mogelijk een taalontwikkelingsstoornis (TOS)? Voor ouders en andere betrokkenen is dit vaak erg lastig in te schatten. Het beste advies dat wij kunnen geven, luister altijd goed naar uw eigen gevoel. U kent uw eigen kind tenslotte het beste. Onze ervaring is dat er door de omgeving vaak, goedbedoelde, opmerkingen geplaatst worden als ‘ach, het komt wel goed’. Iedereen kent wel de verhalen over kinderen die wat later praten en waarbij het zonder hulp goed komt. Echter, dit is niet in alle gevallen zo en sommige kinderen hebben hulp nodig in de spraak- taalontwikkeling.

TOS-test

Heeft ú het vermoeden dat er iets in de spraak- taalontwikkeling van uw kind niet klopt? Trek dan gelijk aan de bel. Hoe eerder u erbij bent, hoe beter uw kind geholpen kan worden. Gerichte en vroegbehandeling van een TOS kan uw kind helpen aan een goede start in het basisonderwijs. De professionals van het Audiologisch centrum en 't Kwetternest weten heel goed hoe moeilijk en belangrijk het is om problemen vroegtijdig op te sporen.

Daarom helpen wij u graag op weg met de door ons ontwikkelde TOS-test. Door een paar simpele vragen te beantwoorden weet u al snel of u er goed aan doet actie te ondernemen. Kunt u één of meerdere van onderstaande stellingen met ‘juist’ beantwoorden, neem dan contact op met het audiologisch centrum. Wij helpen u graag verder op weg. 

1. Uw kind reageert niet en maakt geen oogcontact zodra hij/zij zijn/haar naam hoort.

Uitleg: Vanaf 7 maanden begint uw kind met u aankijken zodra u zijn/haar naam  zegt. Met 1 jaar zou dit oogcontact zeker aanwezig moeten zijn.

2. Uw kind laat weinig tot geen imitatie van taal horen.

Uitleg: U en uw kind zien een auto. U zegt ‘auto’ en uw kind zegt dit uit zichzelf na. Wanneer uw kind jonger dan 1 jaar is, valt te denken aan het imiteren van het woord ‘auto’ door middel van klankreeksen zoals ‘baba’ of ‘dede’.

3. Uw kind kan slechts één of geen lichaamsdelen aanwijzen.

Uitleg: U vraagt: ‘Waar is je buik?’ Uw kind reageert niet of wijst iets anders aan. Let op: uw kind hoeft het lichaamsdeel nog niet te benoemen.

4. Uw kind begrijpt opdrachten van 2 woorden niet (12-18 maanden).

Uitleg: Als uw kind 12 tot 18 maanden is, zou hij/zij opdrachten met twee woorden moeten kunnen begrijpen, zoals bijvoorbeeld: ‘appel eten’, ‘auto opruimen’, ‘in bad’.

5. Uw kind zegt nog maar 5-10 woorden met 1,5 jaar.

Uitleg: U kunt denken aan woorden als ‘papa’, ‘mama’, ‘bal’ en ‘poes’. Het kind hoeft deze woorden nog niet goed uit te spreken. Wel is het belangrijk dat het kind uit zichzelf meer dan 10 verschillende woorden laat horen. Het gaat dus niet om woorden nazeggen.

6. Uw kind brabbelt weinig gevarieerd.

Uitleg: Vanaf ongeveer 7 maanden beginnen kinderen te brabbelen. Ze produceren geluiden die te kenmerken zijn als een opeenvolging van (bijna) identieke lettergrepen met als basisvorm een medeklinker en een klinker zoals uh-uh-uh, ‘bababa’, ‘diediedie’.

Kinderen van 2 tot 3 jaar hebben een woordenschat van 250-350 woorden.

1. Uw kind is 2 jaar en spreekt nog geen 2 woorden achter elkaar.

Uitleg: Het kind maakt nog geen combinaties van twee woorden zoals; die slapen, deze hier, water drinken. Dit hoeft niet goed uitgesproken te worden. 

2. Uw kind begrijpt nog geen zinnetjes van minimaal 3 woorden. Belangrijk hierbij is dat uw kind de opdracht niet kan afleiden van de situatie.

Uitleg: U wilt naar de winkel en vertelt aan uw kind ‘wij gaan weg’. U heeft daarbij uw sleutels in uw handen en de jas al aan. Uw kind kan bij het zien van sleutels en/of uw jas, opmaken dat hij/zij weggaat samen met u. Wilt u er zeker van zijn dat uw kind écht begrijpt wat u zegt dan is het belangrijk om te checken of uw kind de opdracht ook begrijpt zonder het zien van de sleutels en uw jas.

3. Tijdens het spelen maakt het kind weinig geluid en ‘praat’ niet.

Uitleg: Dit begint met het maken van geluiden bijvoorbeeld het geluid van een rijdende auto nadoen of ‘toet toet’ zeggen. Als kinderen rond de 2 á 3 jaar zijn begeleiden zij hun spel met taal, waarbij er zinnen van minimaal 2 woorden te horen moeten zijn. Wees alert als uw kind een stille speler is.

4. Kind maakt de sprong van 2 naar 3-woordzinnetjes niet in deze periode.

Uitleg: Als een kind eenmaal in tweewoordzinnen spreekt, gaat de overgang naar driewoordzinnen meestal heel vlot. Een voorbeeld van een driewoordzin is ‘mij ook spelen’, ‘papa nog slapen?’, ‘kijk daar auto’. Ook hier geldt; de woorden hoeven nog niet goed uitgesproken te worden. 

1. Kind spreekt met drie jaar nog niet in drie tot vijf woorduitingen.

Uitleg: Wees alert wanneer uw kind nog geen werkwoorden gebruikt. Let op: uw kind hoeft een werkwoord nog niet te vervoegen zoals het geval is bij ‘hij slaapt’. Een kind zal met drie jaar minimaal zinnen moeten maken als ‘visje inne water zwemmen’, ‘popje moet in bed slapen’ en ‘mij ook bedje slapen’.

2. Kind begrijpt opdrachten met meerdere elementen zoals ‘leg de kleine auto in de grote bak’ niet.

Uitleg: Let hierbij op dat uw kind écht de gesproken opdracht begrijpt en niet uit gebaren of handbewegingen kan opmaken wat hij/zij moet doen. Dus niet de kleine auto en vervolgens de grote bak aanwijzen om te checken of uw kind de genoemde opdracht begrijpt.

3. Kind is moeilijk verstaanbaar voor onbekenden (mijn kind wordt vaak niet begrepen door onbekenden)

Uitleg: Een kind zou met 3,5 jaar in 50% tot 75% van de gevallen goed te verstaan moeten zijn. Wees alert wanneer u van anderen hoort dat zij uw kind niet goed verstaan.

4. Kind vertelt nooit spontaan een kort verhaaltje.

Uitleg: Een kind van 3 jaar zou ideeën en gevoelens moeten kunnen benoemen. Een voorbeeld zou kunnen zijn dat uw kind vertelt over een gebeurtenis op het kinderdagverblijf van die dag; ‘Kim is vallen vandaag. Die moet huilen’. Of ‘Juf Loes boos op mij, is niet leuk’.

1. Kind kan nog geen verhaal navertellen aan de hand van plaatjes.

Uitleg: Een kind kan een verhaal dat past bij zijn/haar leeftijd op een eenvoudige manier navertellen. Kinderen vertellen vooral de hoofdlijn van een verhaal.

2. Kind is soms nog moeilijk verstaanbaar.

Uitleg: Uw kind zou op deze leeftijd in 75% tot 90% van de gevallen verstaanbaar moeten zijn. De ‘l’ en de ‘r’ aan het begin van een woord zoals in ‘loop’ en ‘rijden’, ontwikkelen zich vaak laat in de ontwikkeling van klanken.

3. Kind laat nog weinig taal horen of durft niet te spreken.

Uitleg: Uw kind is vaak stil of spreekt in de thuissituatie duidelijk meer dan in andere situaties. Uw kind komt na verloop van tijd in een andere situatie ook niet ‘los’.

1. Uw kind reageert niet en maakt geen oogcontact zodra hij/zij zijn/haar naam hoort.

Uitleg: Vanaf 7 maanden begint uw kind met u aankijken zodra u zijn/haar naam  zegt. Met 1 jaar zou dit oogcontact zeker aanwezig moeten zijn.

2. Uw kind laat weinig tot geen imitatie van taal horen.

Uitleg: U en uw kind zien een auto. U zegt ‘auto’ en uw kind zegt dit uit zichzelf na. Wanneer uw kind jonger dan 1 jaar is, valt te denken aan het imiteren van het woord ‘auto’ door middel van klankreeksen zoals ‘baba’ of ‘dede’.

3. Uw kind kan slechts één of geen lichaamsdelen aanwijzen.

Uitleg: U vraagt: ‘Waar is je buik?’ Uw kind reageert niet of wijst iets anders aan. Let op: uw kind hoeft het lichaamsdeel nog niet te benoemen.

4. Uw kind begrijpt opdrachten van 2 woorden niet (12-18 maanden).

Uitleg: Als uw kind 12 tot 18 maanden is, zou hij/zij opdrachten met twee woorden moeten kunnen begrijpen, zoals bijvoorbeeld: ‘appel eten’, ‘auto opruimen’, ‘in bad’.

5. Uw kind zegt nog maar 5-10 woorden met 1,5 jaar.

Uitleg: U kunt denken aan woorden als ‘papa’, ‘mama’, ‘bal’ en ‘poes’. Het kind hoeft deze woorden nog niet goed uit te spreken. Wel is het belangrijk dat het kind uit zichzelf meer dan 10 verschillende woorden laat horen. Het gaat dus niet om woorden nazeggen.

6. Uw kind brabbelt weinig gevarieerd.

Uitleg: Vanaf ongeveer 7 maanden beginnen kinderen te brabbelen. Ze produceren geluiden die te kenmerken zijn als een opeenvolging van (bijna) identieke lettergrepen met als basisvorm een medeklinker en een klinker zoals uh-uh-uh, ‘bababa’, ‘diediedie’.

Kinderen van 2 tot 3 jaar hebben een woordenschat van 250-350 woorden.

1. Uw kind is 2 jaar en spreekt nog geen 2 woorden achter elkaar.

Uitleg: Het kind maakt nog geen combinaties van twee woorden zoals; die slapen, deze hier, water drinken. Dit hoeft niet goed uitgesproken te worden. 

2. Uw kind begrijpt nog geen zinnetjes van minimaal 3 woorden. Belangrijk hierbij is dat uw kind de opdracht niet kan afleiden van de situatie.

Uitleg: U wilt naar de winkel en vertelt aan uw kind ‘wij gaan weg’. U heeft daarbij uw sleutels in uw handen en de jas al aan. Uw kind kan bij het zien van sleutels en/of uw jas, opmaken dat hij/zij weggaat samen met u. Wilt u er zeker van zijn dat uw kind écht begrijpt wat u zegt dan is het belangrijk om te checken of uw kind de opdracht ook begrijpt zonder het zien van de sleutels en uw jas.

3. Tijdens het spelen maakt het kind weinig geluid en ‘praat’ niet.

Uitleg: Dit begint met het maken van geluiden bijvoorbeeld het geluid van een rijdende auto nadoen of ‘toet toet’ zeggen. Als kinderen rond de 2 á 3 jaar zijn begeleiden zij hun spel met taal, waarbij er zinnen van minimaal 2 woorden te horen moeten zijn. Wees alert als uw kind een stille speler is.

4. Kind maakt de sprong van 2 naar 3-woordzinnetjes niet in deze periode.

Uitleg: Als een kind eenmaal in tweewoordzinnen spreekt, gaat de overgang naar driewoordzinnen meestal heel vlot. Een voorbeeld van een driewoordzin is ‘mij ook spelen’, ‘papa nog slapen?’, ‘kijk daar auto’. Ook hier geldt; de woorden hoeven nog niet goed uitgesproken te worden. 

1. Kind spreekt met drie jaar nog niet in drie tot vijf woorduitingen.

Uitleg: Wees alert wanneer uw kind nog geen werkwoorden gebruikt. Let op: uw kind hoeft een werkwoord nog niet te vervoegen zoals het geval is bij ‘hij slaapt’. Een kind zal met drie jaar minimaal zinnen moeten maken als ‘visje inne water zwemmen’, ‘popje moet in bed slapen’ en ‘mij ook bedje slapen’.

2. Kind begrijpt opdrachten met meerdere elementen zoals ‘leg de kleine auto in de grote bak’ niet.

Uitleg: Let hierbij op dat uw kind écht de gesproken opdracht begrijpt en niet uit gebaren of handbewegingen kan opmaken wat hij/zij moet doen. Dus niet de kleine auto en vervolgens de grote bak aanwijzen om te checken of uw kind de genoemde opdracht begrijpt.

3. Kind is moeilijk verstaanbaar voor onbekenden (mijn kind wordt vaak niet begrepen door onbekenden)

Uitleg: Een kind zou met 3,5 jaar in 50% tot 75% van de gevallen goed te verstaan moeten zijn. Wees alert wanneer u van anderen hoort dat zij uw kind niet goed verstaan.

4. Kind vertelt nooit spontaan een kort verhaaltje.

Uitleg: Een kind van 3 jaar zou ideeën en gevoelens moeten kunnen benoemen. Een voorbeeld zou kunnen zijn dat uw kind vertelt over een gebeurtenis op het kinderdagverblijf van die dag; ‘Kim is vallen vandaag. Die moet huilen’. Of ‘Juf Loes boos op mij, is niet leuk’.

1. Kind kan nog geen verhaal navertellen aan de hand van plaatjes.

Uitleg: Een kind kan een verhaal dat past bij zijn/haar leeftijd op een eenvoudige manier navertellen. Kinderen vertellen vooral de hoofdlijn van een verhaal.

2. Kind is soms nog moeilijk verstaanbaar.

Uitleg: Uw kind zou op deze leeftijd in 75% tot 90% van de gevallen verstaanbaar moeten zijn. De ‘l’ en de ‘r’ aan het begin van een woord zoals in ‘loop’ en ‘rijden’, ontwikkelen zich vaak laat in de ontwikkeling van klanken.

3. Kind laat nog weinig taal horen of durft niet te spreken.

Uitleg: Uw kind is vaak stil of spreekt in de thuissituatie duidelijk meer dan in andere situaties. Uw kind komt na verloop van tijd in een andere situatie ook niet ‘los’.