Over spraaktaal problemen

Leren praten lijkt soms bijna vanzelf te gaan maar er zijn kinderen waarbij dat veel moeizamer gaat. De eerste klanken, woordjes en zinnetjes lijken veel later te komen dan bij andere kinderen. Sommige kinderen zijn alleen laat met het leren praten. Ze beginnen bijvoorbeeld pas op driejarige leeftijd met het praten in zinnen. Er is dan sprake van een vertraagde taalontwikkeling. Bij andere kinderen verloopt de taalontwikkeling anders en veel moeilijker dan bij de meeste leeftijdgenootjes. Als u zorgen heeft over de spraaktaalontwikkeling van uw kind is het goed om deze zorgen met de jeugdarts van het consultatiebureau, huisarts, kno-arts of kinderarts te bespreken. Het kan zijn dat uw kind dan wordt verwezen naar het audiologisch centrum.

Taal- en spraakproblemen zijn allebei vormen van communicatieproblemen.

Bij een spraakstoornis zijn er problemen met het uitvoeren van spreekbewegingen, waardoor de spraakklanken niet goed klinken. Soms kan het kind de klank niet vormen en slaat het deze consequent over of vervangt het deze door een andere klank. Voorbeelden van spraakstoornissen zijn slissen, lispelen en nasale spraak, maar ook stotteren of een spraakontwikkelingsdyspraxie.

Bij een taalstoornis zijn er problemen in het leren en gebruiken van de moedertaal. Dat kan zijn in het begrijpen van taal en produceren van taal, maar er zijn ook kinderen die goed begrijpen wat er gezegd wordt, maar moeite hebben met het verwoorden van wat ze willen vertellen.
Een of meerdere van de volgende kenmerken kunnen voorkomen bij een kind met een taalontwikkelingsstoornis (TOS):

  • Weinig woorden kennen.
  • Moeite hebben om op een woord te komen.
  • Vaak hetzelfde vertellen.
  • Vaak dezelfde woorden gebruiken.
  • Slecht verstaanbaar spreken zonder dat er mondmotorische beperkingen zijn of problemen met de planning en aansturing van de spreekbewegingen.
  • Veel fouten in de zinnen maken.
  • Erg korte zinnen maken.
  • Vaak niet begrijpen wat er verteld wordt.
  • Dichtklappen of zeggen "dat weet ik niet", als er een vraag wordt gesteld.
  • Weinig praten, stil zijn.
  • Praten met veel denkpauzes, stopwoorden en herhalingen.
  • Driftig worden als hij/zij niet begrepen wordt of iets niet begrijpt.
  • Een belevenis of verhaal buiten het hier-en-nu onvoldoende in taal aan de luisteraar kunnen overbrengen.